“De wereld heeft recht op poëzie”

De Zuid-Afrikaanse Antjie Krog schreef voor de tiende editie van de Gedichtendag de bundel ‘Waar ik jou word.’ Zelfs de ongekroonde Dichter des Vaderlands is soms onzeker over haar werk, vertelt ze Veerle Snijders.

Krog (1952) was achttien toen ze haar eerste dichtbundel, Dogter van Jefta uitbracht. Twaalf bundels, een toneelstuk en drie prozawerken volgden. De schrijfster brengt haar gedichten als vertellingen en is altijd erg betrokken geweest bij de gebeurtenissen in haar land. Met name bij het leed dat de tegenstellingen tussen blank en zwart veroorzaakten. Ze groeide op tijdens Apartheid, op het boerenland van de Free State, in het hart van Zuid-Afrika. „Ik zou nooit over een ander land dan het mijne kunnen schrijven, dat zou oppervlakkig worden. Ik zou het gewoon niet durven.”

In de jaren negentig versloeg ze de zittingen van de Waarheids –en Verzoeningscommissie voor de Zuid-Afrikaanse radio. Haar ervaringen met de commissie verwerkte ze in haar tweede proza werk, Country of my Skull (1998), vertaald als De kleur van je hart (2000). De duizenden getuigenissen van slachtoffers en daders voor deze commissie, moesten ervoor zorgen dat de Afrikaanse inwoners in het reine konden komen met de verschrikkingen van het recente verleden. Krog woonde de vele zittingen bij.

Ze studeerde Afrikaans, filosofie en Engels. Vervolgens deed ze haar masters in Afrikaans en behaalde ze haar docenten diploma. Dit alles cum laude. In 1992 verruilde ze met haar gezin het onveilige platteland voor het progressievere Kaapstad. „Ik moest erg wennen aan de arrogantie van de Tafelberg, maar kan er nu van genieten, net als van de anonimiteit van de stad. Ik heb me tijdens het schrijven van één van mijn bundels door de berg laten inspireren.” Ze observeerde en filmde de Tafelberg in ieder seizoen van het jaar twee weken lang. „Zo maakte ik een cyclus. De bundel gaat over ouder worden, grijs, de menopauze en omvallen.”

“Van poëzie kun je hier niet leven, dus geef ik drie dagen in de week college op de universiteit”

Sinds 2004 is ze verbonden aan de University of the Western Cape, een zwarte universiteit net buiten Kaapstad, en geeft ze les in literatuur. „Van poëzie kun je hier niet leven, dus geef ik drie dagen in de week college op de universiteit.” Krog is gefascineerd door taal, en de multi-talige campus van deze universiteit geeft haar energie en inspiratie. Bovendien vindt ze het een verademing om met theorie bezig te zijn. „Ik ben mijn hele leven al zo praktisch bezig met schrijven, bovendien maakt dichten je erg onzeker. Het is niet iets dat je gepland op donderdagmiddag tussen twee en zes doet. Als je een gedicht geschreven hebt weet je nooit of je dat nog een keer kunt.”

Dankzij Krog heeft de poëzie lunch zijn intrede gemaakt op de universiteit. „Studenten luisteren dan letterlijk met open mond naar elkaar. Sommigen hebben nog nooit een gedicht gehoord of gelezen. Poëzie is niet groot hier, een gedichtendag zou nu niet werken. Maar op deze manier stimuleer ik het toch een beetje.”

De taalliefhebber is bang dat haar moerstaal Afrikaans ooit gaat verdwijnen. „De taal moet vechten om te blijven bestaan, een zware strijd voor een taal die pas honderd jaar oud is. Ik snap het niet, want het Afrikaans geeft ons toegang tot Europa zoals geen andere taal dat doet.” Ze heeft regelmatig problemen met het vinden van een vertaler voor haar werk. „Veel mensen koesteren wrok jegens de taal. Vertalers staan niet te springen om werk van Afrikaans naar het Engels te vertalen. En zelf kan ik dat niet goed, mijn Engels is niet goed genoeg.”

Toch vertaalt ze soms haar eigen gedichten. „Alleen als het niet anders kan. Het is een compleet nieuw proces. Eigenlijk schrijf je een nieuw gedicht. Je sleutelt er net zolang aan totdat het werkt. Mijn Engelse gedichten behouden hun Afrikaanse geluid, mijn herkomst.” Krog streeft ernaar dat haar werk vertaald wordt in alle inheemse Zuid-Afrikaanse talen. „Ik wil een Zuid-Afrikaanse stem zijn, niet slechts Afrikaans. Ik wil dat mijn werk ook toegankelijk is voor de zwarte bevolking. Ik geloof erin dat iedereen met elkaar verbonden is, vanuit die beleving heb ik ook de Gedichtendag bundel Waar ik jou word geschreven.”

Ze draagt veel van haar werk voor, mede omdat de helft van de Zuid-Afrikaanse bevolking niet kan lezen of schrijven. „Bovendien heeft een groot deel van de mensen geen geld om poëzie te kopen. Je kunt de mensen zelf wel respecteren, maar je moet óók respecteren dat ze niet kunnen lezen. Ik draag niet graag voor want ik sta niet graag in de schijnwerpers. Toch doe ik het, want ik kan slecht nee zeggen. Dan sla ik dingen over, en voeg ik dingen op improviserende wijze toe. Ik vind het egoïstisch om het niet te doen want dan bereik je maar een heel select groepje terwijl de hele wereld recht heeft op poëzie.”

Dit artikel werd gepubliceerd in de weekendbijlage van het AD, januari 2009